De ware straf is het besef dat ik de architect ben van mijn eigen eenzaamheid. Ik zit hier in de puinhoop van een leven dat er van buitenaf perfect uitzag, met de wetenschap van twee kinderen – één nooit geboren, één nooit echt van ons – en een echtgenoot die hield van een versie van mij die nooit heeft bestaan.
De telefoon gaat soms. Meestal is het Jake, die even belt. Hij noemt me ‘mama’ met dezelfde warmte als altijd. Hij bezoekt Michael twee keer per jaar in Oregon. Hij vertelt me dat het goed gaat met Michael – hij vist, hij leest, hij woont alleen.
‘Vraagt hij naar mij?’ vraag ik, elke keer weer.
Er valt altijd een stilte aan de lijn.
‘Nee, mam,’ zegt Jake zachtjes. ‘Dat doet hij nooit.’
En ik hang op, ga in het schemerlicht van de woonkamer zitten en luister naar de tikkende klok, die de seconden aftelt van een leven dat ik alleen moet afmaken.