Niemand bij het tankstation merkte Sean aanvankelijk op. Dat was normaal. Mensen kijken zelden op naar een man met versleten laarzen, een verbleekte jas en vier kinderen die rustig buiten wachten bij een tentenkamp. Hij ging op in de achtergrond van andermans dagelijkse bezigheden, het soort aanwezigheid dat de maatschappij leert te negeren.
Maar het leven van Sean had er niet altijd zo uitgezien.
Nog niet zo lang geleden was hij manager bij een logistiek bedrijf in Oakland, waar hij een vast inkomen verdiende en in een bescheiden maar comfortabel appartement woonde met zijn vrouw en hun vier kinderen. Hun leven was niet extravagant, maar wel stabiel. De ochtenden waren gevuld met de voorbereidingen voor school, de avonden met huiswerk, gezamenlijke diners en de stille geruststelling dat morgen er net zo uit zou zien als vandaag.
Toen werd zijn vrouw ziek.
Eerst waren het afspraken. Toen onderzoeken. Daarna ziekenhuisopnames die van dagen tot weken duurden. De diagnose kwam met woorden die geen enkele familie ooit wil horen en behandelingen die zo duur waren dat Sean zijn spaargeld sneller opmaakte dan hij het kon verdienen. Hij verkocht de auto. Toen de meubels. En uiteindelijk het appartement.