Hij had twaalf jaar in het donker geleefd en niemand vermoedde het angstaanjagende geheim dat in zijn ogen verborgen lag.
Ricardo, een techmagnaat, had alles al geprobeerd: topspecialisten in Zwitserland, experimentele behandelingen, zelfs genezers uit de jungle. Niets hielp bij Mateo.
Zijn zoon, de erfgenaam van zijn hele imperium, leefde in complete duisternis. De diagnose was altijd dezelfde: onverklaarbare, ongeneeslijke blindheid. Ricardo legde zich er uiteindelijk bij neer dat hij zijn kind door het leven zag ploeteren, omringd door luxe waarvan hij zelf nooit echt kon genieten.
Op een dag, terwijl Mateo piano speelde in de tuin, glipte er een klein meisje het terrein op.
Ze droeg versleten kleren en had enorme, oplettende ogen. Haar naam was Sofía, een meisje dat bekend stond om haar bedelarij op de hoek van de straat. De bewakers stonden op het punt haar weg te jagen, maar Mateo hield hen met één enkel gebaar tegen. Hij voelde dat er iets anders aan haar was – een onheilspellende aanwezigheid die de stilte van zijn wereld verbrak.
Ze vroeg niet om geld.
In plaats daarvan kwam ze dichterbij en zei met de botte eerlijkheid van een straatkind:
« Je ogen zijn niet beschadigd. Er zit iets in je ogen waardoor je niet kunt zien. »
Ricardo voelde zich beledigd.
Zou een arm klein meisje nou meer moeten weten dan neurochirurgen van Harvard? Absurd.
Maar Mateo pakte Sofía’s hand en leidde die naar zijn gezicht. Ze legde haar kleine, vuile vingers op zijn wangen. Met een kalmte die Ricardo rillingen over de rug bezorgde, schoof ze haar nagel onder Mateo’s ooglid.
« Haal je handen onmiddellijk van hem af! » schreeuwde Ricardo.
Maar Sofía was sneller.
Met een snelle beweging trok ze iets uit Mateo’s oogkas…
Het was geen scheur.
Het was geen vuil.
Het was iets levends – donker, glanzend en bewegend in haar handpalm.
Ricardo werd bleek.
Je moet zien wat dat ding was, hoe het daar terecht is gekomen en waarom geen enkele dokter het ooit heeft opgemerkt. De waarheid is afschuwelijk en zal je de adem benemen.
Het voorwerp dat Sofía vasthield, was geen gewoon wezen.
Het was zo groot als een vingernagel, met een zwart omhulsel dat licht weerkaatste als olie op water. Het leek op een teek, maar de vorm was te perfect, te geometrisch.
Het kronkelde.
Mateo kon het niet zien, maar hij voelde het. Niet in zijn oog, maar achter zijn voorhoofd – alsof een emotionele blokkade die hij sinds zijn jeugd had opgebouwd, plotseling was opgeheven.
Ricardo stond ondertussen versteend van angst en ongeloof.
« Beveiliging! Pak dat meisje! » riep hij uiteindelijk.
Sofía knipperde niet eens met haar ogen. Rustig opende ze haar handpalm.
Het kleine, donkere wezentje, dat al in de zon lag te drogen, slaakte een hoge, bijna onhoorbare krijs.