Die avond, nadat de kinderen zich in hun kamers hadden teruggetrokken en het huis tot rust was gekomen met de diepe, ritmische ademhaling van een huis dat tot rust was gekomen, zat Adrian nog een laatste keer op de veranda.
Hij bekeek zijn handen in het maanlicht. De eeltplekken waren dik, de huid getekend door hard werken. Er waren geen ringen. Geen bloedvlekken. Geen gewicht.
Hij dacht aan zijn grootvader, die stervend was in een koud paleis van schaduwen, zich vastklampend aan een erfenis die tot as was vergaan op het moment dat een man zijn kinderen boven zijn troon verkoos. Hij dacht aan Camille, waarschijnlijk getrouwd met een of andere geest in een pak, die een leven leidde vol gepolijste oppervlakken en holle harten.
Vervolgens keek hij naar de aarde bij de veranda, waar de messing sleutel van het Siciliaanse landgoed begraven lag onder een laag van zeven centimeter aarde uit de Northwoods. Over een paar jaar zou het metaal corroderen. De aarde zou het terugwinnen. De geschiedenis van de familie Vale zou niets meer worden dan een spookverhaal dat in de achterkamers van Chicago werd gefluisterd, een mythe over een prins die in de bomen verdween en de kroon meenam.
Adrian leunde achterover en sloot zijn ogen. Hij droomde niet van geweervuur of directiekamers. Hij droomde niet van de stad.
Hij droomde van de ochtend, wanneer de zon op het meer zou schijnen en zijn kinderen wakker zouden worden in een wereld waar hun achternaam niets betekende, maar hun voornamen alles.
Het bos was stil. De lucht was helder.
De schuld werd betaald.