Ik ben vorige week geslaagd voor mijn middelbareschooldiploma, maar ik voel me niet als een afgestudeerde. Mensen vragen me steeds naar de toekomst, naar het ‘volgende hoofdstuk’, maar ik kan de woorden er niet voor vinden. De wereld lijkt stil te staan, alsof iedereen vergeten is op ‘afspelen’ te drukken. Zelfs nu, staand in ons stille huis, ruikt alles nog steeds naar haar – een mengsel van warme gistbroodjes, industriële schoonmaakspray en de vage, bloemige geur van de lavendelzeep die ze op zondagen gebruikte. Soms denk ik haar voetstappen te horen kraken op de keukenvloer, en heel even vergeet ik dat de stilte permanent is.
Mijn grootmoeder, Lorraine, hielp niet alleen, ze was mijn hele wereld. Toen mijn ouders omkwamen bij een auto-ongeluk toen ik nog maar een peuter was, werd zij mijn moeder, mijn vader en de steunpilaar van mijn leven. Ze was 52 toen ze me in huis nam en werkte toen al veertig uur per week als kok in de schoolkantine. Ze voedde me op in een huis dat ouder was dan zijzelf, een plek waar de wind door de ramen floot, maar waar we het nooit koud hadden. Ze was de vrouw die iedereen in het dorp kende als ‘Juffrouw Lorraine’, of, minder respectvol, gewoon ‘de kantinedame’. Voor hen was ze een vertrouwd gezicht op de achtergrond, een anonieme figuur met een haarnetje. Voor mij was ze een wonder in een schort met zonnebloemen.